Advies aan Eurocommissaris Kubilius over een Europese Defensie Unie
Op weg naar een Europese Defensie Unie
Naar aanleiding van een verzoek van Eurocommissaris Kubilius heeft het Eurodefense netwerk strategisch advies gegeven voor de totstandkoming van een Europese Defensie-unie.
Zo’n Unie moet niet als statisch orgaan worden gezien, maar als een stapsgewijs
politiek proces. De kern van het voorstel dat door drie werkgroepen (Strategisch
concept, Industrie en Export) is opgesteld draait om het versterken van
de politieke autoriteit via een Europese Veiligheidsraad en
het verbeteren van de operationele samenwerking door middel van gezamenlijke
defensieplanning.
Om deze integratie te financieren, pleit het advies
voor gemeenschappelijke investeringen, zoals defensie-obligaties,
en een sterkere focus op de eigen Europese defensie-industrie. Er
wordt benadrukt dat lidstaten hun krachten moeten bundelen en prioriteit moeten
geven aan onderlinge afhankelijkheid boven gefragmenteerde
nationale belangen. Uiteindelijk streeft het advies naar een verhoogde slagkracht
en soevereiniteit van Europa binnen een veranderende mondiale
veiligheidscontext.
Een
Gefaseerd Politiek en Operationeel Proces
De ontwikkeling van de EDU moet niet worden gezien als één
enkele institutionele creatie, maar als een geproduceerd politiek en
operationeel proces dat wordt gedreven door urgentie. Eurodefense stelt een
aanpak in drie fasen voor:
- Korte
termijn (Fundament): Gebruikmaken van bestaande instrumenten (zoals de
EDA en OCCAR) en politieke steun voor een Europese pijler binnen de NAVO.
- Middellange
termijn (tot 2030 - Institutionalisering): De oprichting van een Europese
Veiligheidsraad als politieke autoriteit en de ontwikkeling van
permanente Europese commandostructuren (C2).
- Lange
termijn (voorbij 2030 - Consolidatie): Mogelijke verdragsherzieningen
om een gemeenschappelijke defensie te formaliseren en de overgang naar een
Europees opperbevel.
De huidige "Coalitions of the Willing" (zoals
gezien bij de steun aan Oekraïne) is weliswaar nuttig voor kortstondige actie,
maar inherent kwetsbaar zijn door een gebrek aan structurele politieke
autoriteit en duurzame financiering.
Meer,
Beter en Samen Uitgeven
Een kernpunt is de noodzaak om meer, beter en vooral
samen uit te geven. Om aan de NAVO-toezeggingen te voldoen, wordt gestreefd
naar een verhoging van de defensie-uitgaven naar 3,5% van het BBP in 2030,
oplopend tot 5% in 2035. Dit vereist aanzienlijke gemeenschappelijke
financiering.
Financiële innovaties die worden voorgesteld zijn:
- Europese
Defensie-obligaties (Eurobonds): Om voorspelbare middelen op lange
termijn te mobiliseren en gezamenlijke inkoop te stimuleren.
- Overbruggingsleningen:
Om lidstaten te helpen wiens budgettaire cycli niet synchroon lopen, zodat
ze toch aan gezamenlijke projecten kunnen deelnemen.
- Rol
van de Europese Investeringsbank (EIB): Het opheffen van de
uitsluiting van financiering voor wapens en munitie.
Versterking
van de EDTIB en de Europese Industrie
Eurodefense pleit voor de versterking van de European
Defence Technological and Industrial Base (EDTIB) om de afhankelijkheid van
niet-Europese technologieën, zoals die onderhevig zijn aan ITAR-restricties, te
verminderen. Er wordt een nieuw Europees inkoopmodel voorgesteld dat gericht is
op efficiëntie en strategische onafhankelijkheid.
Belangrijke principes voor de industrie zijn:
- Prioriteit
voor Europese oplossingen: Bij inkoop moet de voorkeur uitgaan naar
Europese opties boven niet-Europese oplossingen.
- Consolidatie
en Competitie: Meer consolidatie op het niveau van hoofdaannemers en
meer concurrentie binnen de toeleveringsketen via regionale
innovatieclusters.
- Gezamenlijke
Inkoop: Het bundelen van aankopen om standaardisatie te bevorderen en
prijzen te verlagen.
- Europees
Defensieplanningsproces (EDPP): Een proces dat coherent is met het
NAVO-planningsproces om operationele behoeften te harmoniseren en
duplicatie te voorkomen.
Exportbeleid
en Strategische Autonomie
Een cruciaal en gevoelig aspect van de EDU is het
exportbeleid voor defensiematerieel. Wapenexport is essentieel voor de internationale concurrentiekracht, en blijft een nationale soevereine bevoegdheid. Eurodefense wijst op de Trilaterale
Overeenkomst (Frankrijk, Duitsland, Spanje) als een model voor de rest van
Europa. Dit akkoord is gebaseerd op wederzijdse acceptatie van exportvergunningen
van partners, waarbij bij uitzondering bezwaar mogelijk is. De
uitbreiding van dit akkoord naar landen als het VK, Nederland, Italië en Zweden
wordt gezien als een belangrijke stap naar een EU-brede standaard.
Politieke
Autoriteit en Besluitvorming
Het gebrek aan politieke autoriteit is de "missing
piece" voor een effectieve defensie-unie. Zonder een Europese
Veiligheidsraad ontbreekt het aan legitimiteit voor een verenigd commando.
Voor de besluitvorming wordt een pragmatische aanpak geadviseerd: volledige
unanimiteit riskeert verlamming, terwijl gekwalificeerde
meerderheidsbesluitvorming (QMV) de legitimiteit kan ondermijnen bij
beslissingen over geweldgebruik. Oplossingen zoals "constructieve
onthouding" en "versterkte samenwerking" worden voorgesteld om
effectief te kunnen handelen in crisissituaties.
Operationele
Commando en Controle (C2)
Momenteel ontbreekt het Europa aan een uniforme operationele
commandostructuur. Eurodefense stelt voor om voort te bouwen op bestaande
multinationale kaders:
- Land:
Pooling rond structuren zoals het Eurocorps.
- Zee:
Gebruik van Euromarfor.
- Lucht:
Integratie via modellen zoals het European Air Transport Command (EATC).
Op de lange termijn wordt de aanstelling van een Europees Saceur
overwogen, mits dit volgt op politieke eenheid en bewezen militaire
gereedheid.
Maatschappelijk
Draagvlak: "Total Defence"
Een succesvolle EDU vereist de steun en cohesie van de
Europese samenlevingen. Het concept van "Total Defence", dat
al sterk leeft in Noord-Europa en de Baltische staten, moet breder worden
uitgedragen. Dit houdt in dat burgers zich bewust moeten zijn van de dreigingen
en de noodzaak om gezamenlijk op te treden voor de verdediging van het
continent.
Conclusie
Eurodefense schetst een visie waarin de Europese
Defensie-unie niet alleen draait om militaire capaciteit, maar om een
fundamentele verschuiving naar verlicht eigenbelang. Dit betekent dat
lidstaten moeten inzien dat het gemeenschappelijke belang effectiever is voor
het oplossen van veiligheidsuitdagingen dan puur nationaal of industrieel
zelfbelang. Wederzijds vertrouwen tussen lidstaten, de Commissie en de
industrie is een absolute voorwaarde voor vooruitgang. De EDU moet een
360°-benadering hanteren die verder kijkt dan alleen de Russische dreiging, om
een robuuste en autonome veiligheidsarchitectuur voor heel Europa te
waarborgen.
