Wapenexportcontrole en Europese samenwerkingsprogramma's

 


Krachtens de huidige verdragen van de Europese Unie (artikel 346 VWEU) zijn wapenexporten een nationale verantwoordelijkheid. Defensierelaties, en met name de exportdimensie daarvan, vormen een niet onbelangrijk onderdeel van het buitenlands beleid. Tegelijkertijd is exportpotentieel een belangrijke factor voor het internationale concurrentievermogen van de defensie-technologische en industriële basis (DTIB’s) van de lidstaten. 

Volgens gegevens van het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI) en het Europees Defensieagentschap (EDA) hebben Europese leveranciers hun positie aanzienlijk versterkt: van de wereldwijde wapenexport in de periode 2021-2025 was 28 % afkomstig uit de EU-lidstaten. De lidstaten hebben daarbij ruime ervaring opgedaan met wapenexportcontrole om te voorkomen dat uitgevoerde producten worden omgeleid naar niet-toegestane bestemmingen, zoals landen waarop internationale sancties van de EU of de Verenigde Naties van toepassing zijn.

Samenwerking in de defensiesector heeft de totstandkoming van strategische partnerschappen tussen Europese landen mogelijk gemaakt. Veel van de Europese exporten met de hoogste waarde komen voort uit multinationale industriële programma’s, zoals de Eurofighter Typhoon (VK, Duitsland, Italië, Spanje), de NH90 (Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland), de A400M Atlas (Duitsland, Frankrijk, VK, Spanje, België, Türkiye, Luxemburg), de MRTT (Multi-Role Tanker Transport, een Airbus-programma waarbij Frankrijk, Duitsland en Spanje betrokken zijn), enzovoort. Geen van deze exporten zou mogelijk zijn geweest zonder de bereidheid van de Europese partners binnen een bepaald programma om een van hen de verantwoordelijkheid voor de export te laten dragen, en zonder het vetorecht te behoeven in te roepen.

Voor de versterking van de Europese operationele en technologische capaciteiten en om de daarvoor vereiste kritische massa te bereiken is intra-Europese samenwerking en versterking van het exportpotentieel noodzakelijk. Het dilemma is daarom hoe de nationale verantwoordelijkheid voor het wapenexportbeleid verenigbaar kan worden gemaakt met de onderlinge afhankelijkheid die bewust wordt gecreëerd door intergouvernementele en industriële samenwerking binnen Europa.

Met inachtneming van de huidige verdragen is een goed evenwicht bereikt in de ‘Overeenkomst inzake exportcontroles voor de defensie-industrie’, ondertekend in Parijs op 17 september 2021 (de ‘Trilaterale Overeenkomst’ — Frankrijk/Duitsland/Spanje). Deze overeenkomst heeft als uitgangspunt dat de ene partner de exportgoedkeuring van de andere partner(s) respecteert voor gouvernementele of industriële samenwerkingsprogramma’s, of wanneer het industriële aandeel van een partner onder een drempel van 20% blijft (de-minimisregel). Daarbij blijft het uiteindelijke (veto-)recht behouden om in uitzonderlijke gevallen bezwaar te maken tegen de betreffende export in geval van een direct belang of overwegingen van nationale veiligheid’. In dat geval moeten de ondertekenaars overleg voeren om de situatie te deblokkeren of alternatieve oplossingen te vinden. Het vereenvoudigde systeem van de Trilaterale Overeenkomst maakt exportvergunningen voor elk afzonderlijk onderdeel overbodig en vereist alleen een vergunning die wordt afgegeven door het uiteindelijke exporterende land.

Daaruit volgen drie essentiële overwegingen:

->Degelijke controle op wapenexport is een belangrijke overheidsverantwoordelijkheid van de respectieve lidstaten, maar wanneer export is goedgekeurd, is krachtige gecoördineerde politieke steun eveneens wenselijk in een zeer concurrerende omgeving.

->Wapenexport naar derde landen is van groot belang voor de verdere ontwikkeling van samenwerkingsprogramma’s, het streven naar Europese strategische autonomie en de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (de ontwikkeling van de zogenoemde Europese Defensie-Unie).

->Steun voor de beginselen van de ‘Trilaterale Overeenkomst’, die inmiddels een quadrilaterale overeenkomst is geworden na de recente uitbreiding ervan tot het Verenigd Koninkrijk (vanaf eind 2025), en die waarschijnlijk zal worden uitgebreid met Nederland, Zweden en Italië in de loop van volgend jaar. De betrokken lidstaten, evenals de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) van de Europese Unie en de Europese Commissie, zouden toepassing van deze beginselen actief moeten bevorderen als EU-brede referentie voor gouvernementele of industriële samenwerkingsprogramma’s en voor programma’s die mede door EU-instrumenten worden gefinancierd.

Wij zijn van mening dat de beginselen en mechanismen van de Trilaterale Overeenkomst algemeen binnen Europa zouden moeten worden toegepast, gezien het groeiende belang van de gezamenlijke ontwikkeling van defensie-industriële programma’s tussen Europese landen in de komende jaren. Daartoe moeten exportcontroles in deze sector versterkt worden. Dat vereist meer duidelijkheid in de EU-regelgeving, meer transparantie en een beweging richting harmonisatie tussen de 27 EU-lidstaten gebaseerd op de uitgangspunten van de Trilaterale Overeenkomst. De Trilaterale Overeenkomst zou geleidelijk verder moeten uitgroeien tot een intergouvernementele overeenkomst tussen de belangrijkste Europese wapenexporterende landen.

Dit artikel is een bewerking van het origineel geschreven door Eurodefense werkgroep EWG35 on Export control Volg deze link voor het origineel
Illustratie: AI gegenereerd 
 


Populaire posts van deze blog

Aanbevelingen voor de Internationale Veiligheidsstrategie van Buitenlandse Zaken 2026

De wisselwerking tussen de Europese Unie en de NAVO

Advies aan Eurocommissaris Kubilius over een Europese Defensie Unie