Aanbevelingen voor de Internationale Veiligheidsstrategie van Buitenlandse Zaken 2026
De Internationale Veiligheidsstrategie van de
Minister van Buitenlandse Zaken van 17 juni 2026 bevat sterke punten, zoals een scherpe analyse van
de internationale situatie, niet-aflatende steun aan Oekraïne en voorstellen
voor daadkrachtigere EU-besluitvorming.
Maar het stuk schiet op cruciale vlakken tekort. De rol van de EU blijft te
beperkt en de fixatie op de transatlantische band miskent structurele
verschuivingen in het Amerikaanse beleid. De uitwerking van internationale
partnerschappen is te vrijblijvend.
Introductie
1.
Het is een strategie van buitenlandse zaken en niet van defensie of economische
zaken. Maar, stelt de strategie: “De scheidslijnen tussen economisch,
buitenland- en veiligheidsbeleid vervagen snel.” (sectie 1.3, eerste zin). Het
is dus bemoedigend dat de minister schrijft dat er veel interdepartementaal
overleg is, maar is dat ook zo?
Heeft de regering overwogen een whole-of-government approach te hanteren
en een geïntegreerde strategie op te stellen, of tenminste de diverse
ministeriële internationale veiligheidsstrategieën - zo die er zijn - op elkaar
af te stemmen?
2. De strategie loopt blijkens de titel en de tekst tot 2030 - dan moet er een “plan in uitvoering zijn” (sectie 3.1). Dat is wel heel kort dag, om niet te zeggen onrealistisch, gezien het getoonde ambitieniveau, zoals het produceren van Europese strategic enablers (zie voorts hierna onder Stiefkind Europa). Waarom is 2030 gekozen en niet een meer realistisch tijdpad?
Nationaal of internationaal
4.
De BZ-strategie heeft als titel Internationale Veiligheidsstrategie
2026-2030: Versterkte Europese veiligheid via de NAVO, EU en partnerschappen en
wijst in een aantal passages expliciet op de noodzaak van internationale
samenwerking. Maar de doelstellingen daarvan worden slechts heel algemeen en
kort geformuleerd en in de aanpak is dit stuk sterk nationaal gericht.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit sectie 3.1, Europese defensie-industrie, waarin
gesproken wordt over de bescherming van de Nederlandse industrie [in
EU-verband?], maar niet over die van de Europese industrie als geheel.
5.
Deze eenzijdige nationale oriëntatie blijkt ook bij de behandeling van de
internationale partnerschappen. Het belang ervan wordt herhaaldelijk genoemd,
zelfs in de titel, maar deze krijgen weinig tot geen uitwerking.
Voorbeeld: “Nederland bepleit daarbij steevast het belang van samenwerking met
belangrijke partners zoals het VK, Canada, Noorwegen, de VS en waar mogelijk ook
Turkije.” (hoofdstuk 2, Strategisch doel). Maar een toelichting of
concretisering mey doelstellingen of thema’s ontbreekt. Tevens ontbreekt een
heldere positionering van Nederland over de betrekking van deze landen bij
EU-initiatieven.
6. Zoals ook bij de vaststelling op p.1 dat partnerschappen intensiever worden naarmate er meer overlap van normen en waarden is. Dat is een goed uitgangspunt, maar welk relatief gewicht wordt er toegekend aan normen-waarden en (veiligheids)belangen? Zal de geostrategische locatie en militaire kracht van een potentiële partner zwaarder wegen dan het gehalte aan democratie, rechtsstaat en respect voor mensenrechten (zoals in het Turkije onder de militaire dictatuur)?
Transatlantische fixatie
7.
De strategie stelt terecht dat Europa veel meer moet doen op conventioneel
gebied: “Een krachtige trans-Atlantische
alliantie met daarbinnen een grotere Europese rol, vormt het fundament
voor onze Europese veiligheid. (…..) In een context waarin de NAVO
disproportioneel afhankelijk is van de VS en Washington een groter beroep doet
op Europese bondgenoten, is deze Europese verantwoordelijkheid bovendien
noodzakelijk.” (hoofdstuk 2, Strategisch doel)
8. De bedoeling is dat ”Europa de verantwoordelijkheid neemt voor het leeuwendeel van de eigen conventionele verdediging.” (p. 1) resp. “het merendeel van de conventionele afschrikking en verdediging van het Europees continent” (sectie 3.1, Versterken Europese rol). De woorden “leeuwendeel” en “merendeel” impliceren dat de VS conventioneel zal blijven bijdragen. Op welke gebieden en met welke middelen zou dat moeten zijn? En wat betekenen bijvoorbeeld de uitspraken van SoW Hegseth van 18 juni 2026 over de vermindering van de Amerikaanse conventionele presentie - in aantallen en typen middelen - voor de houdbaarheid van deze verwachting?
9.
Voorts: Is de verwachting dat Europa in de door de strategie nagestreefde
situatie gebruik kan maken van de NAVO-structuren, zoals hoofdkwartieren en centres
of excellence, van haar infrastructuur (o.a. C3I) en voor de NAVO
geoormerkte eenheden, en wel zonder beperking en zonder Amerikaanse
inspraak/veto? Dit geldt ook voor door de verschillende lidstaten in de
Verenigde Staten gekochte middelen, zoals de F-35 en vele andere systemen.
Waarom ontbreekt er een doorkijk naar Europese alternatieven voor de
Amerikaanse middelen? Bovendien wordt de gewenste relatie tussen de EU en de
NAVO onvoldoende uitgelicht.
10. De strategie noteert terecht: “Het overhevelen van verantwoordelijkheden en capaciteiten van de VS naar Europese bondgenoten dient zorgvuldig en in goed overleg met de VS en Europese bondgenoten te worden aangepakt, en vereist voldoende tijd voor Europa om de benodigde verschuiving gezamenlijk in te vullen.” (sectie 3.1) Maar dat geldt natuurlijk wederzijds - en de huidige VS-regering consulteert de bondgenoten niet, noch gunt zij hen die tijd. Hoe moeten Nederland en de andere bondgenoten omgaan met deze omstandigheid?
11. Blijkens het voorgaande heeft BZ een grote voorkeur voor het transatlantische kader, waar in de huidige overgangstijd veel voor te zeggen is. Maar het lijkt erop dat dit een ook voor de toekomst exclusieve keuze is. De Europese Unie heeft weliswaar een “belangrijke”, de NAVO aanvullende rol (p. 1), maar wordt zacht gezegd stiefmoederlijk behandeld (zie hierna onder Stiefkind Europese Unie). Vreest de minister geen schade aan de NAVO en/of de transatlantische relatie, en/of een versnelde terugtrekking van de VS? De huidige VS-regering is daar immers al geheel autonoom wél mee bezig en naar verwachting zullen toekomstige Amerikaanse regeringen dit beleid voortzetten. Ook onder een president uit de Democratic party.
12. “De VS zijn onze belangrijkste bondgenoot en de wereldmacht met wie wij de meeste belangen delen.“ (sectie 1.1) Maar de strategie ontwijkt de vraag naar de fundamenteel veranderde opstelling van de VS jegens Europa en de consequenties daarvan voor de midden- en langere termijn. Dit is niet alleen een kwestie van Trump-beleid maar een fundamentele wijziging in het VS buitenlandbeleid, die al onder Obama (pivot to Asia) is begonnen. En komende presidenten van welke signatuur ook zullen beseffen wat de Amerikaanse president Trump heeft weten te bereiken inzake burdensharing/burdenshifting - iets waar zijn voorgangers het vanaf het ontstaan van de NAVO ook over hebben gehad maar wat zij nooit zo bot hebben durven uitspreken of aanpakken als de Amerikaanse president Trump. Hoe ziet de minister de ontwikkeling van de transatlantische relatie? Welke consequenties zal die (r)evolutie hebben voor het Nederlandse en Europese veiligheidsbeleid?
Stiefkind Europese Unie
13.
De rol van de Europese Unie op het gebied van de Europese veiligheid en
defensie blijft in deze strategie erg
beperkt. Ook al wordt deze rol als belangrijk beschouwd, zij wordt ingeperkt
tot “het bevorderen van de defensiegereedheid, de economische veiligheid en
weerbaarheid” (p.1) en “financiering, vereenvoudigen van wetgeving en
coördinatie van defensie-initiatieven van lidstaten.” (hoofdstuk 2, Strategisch
doel; en sectie Sterker Europa binnen de NAVO).
14. Een groot gebrek is dat de Europese Commissie wordt helemaal niet genoemd, evenmin als de route van een Europees defensie-industriebeleid, en dat ondanks de wel erkende noodzaak van Europese samenwerking op het gebied van defensie-industrie en van het doorbreken van nationale oriëntaties op dat gebied: “Nederland streeft naar het doorbreken van nationale focus en naar een Europese defensie-industrie die concurrerend en innovatief samenwerkt met internationale partners bij onderzoek, ontwikkeling, productie en onderhoud van Europese strijdkrachten.” (sectie Defensie-industrie). Waarom wordt de voorgenomen Nederlandse rol bij alle activiteiten die de Europese Raad en de Europese Commissie op dit gebied in gang hebben gezet, zoals het ReArm 2030, SAFE, EDIS, EDIP, AGILE, EDF, etc., etc. dan niet beschreven?
15. Industriebeleid op Europees niveau is vereist ter verwezenlijking van de ambitieuze conventionele doelstellingen voor 2030. Sectie 3.1, Versterken Europese rol, noemt o.a.:
- er is een grote opbouw van (gemeenschappelijke) capaciteiten
- strategische capaciteiten zijn in toenemende mate in Europees
verband opgebouwd
- de Europese defensie-industrie is in staat een aanzienlijk deel
van de conventionele capaciteiten in alle categorieën wapensystemen te
produceren
- er bestaat een vooruitstrevend innovatie/tech-ecosysteem.
16. Hoe stelt de minister zich voor dit te realiseren zonder een Europees industriebeleid met een actieve, versterkte rol van de Commissie? Maar de strategie komt niet verder dan: “Dit is bereikt door politiek leiderschap, financiële stimulering en afspraken over gezamenlijke aanschaf, ontwikkeling en productie”.
De genoemde instelling van een Europese innovatie-autoriteit naar het voorbeeld
van het Amerikaanse DARPA is welkom, maar volstrekt onvoldoende om bovenstaande
beleidspunten re realiseren. Het
beleidspunt richting een Europese DARPA is wel veel realistischer dan de
Nederlandse DARPA die in het regeerakkoord en andere documenten werd genoemd.
Of zijn er misschien twee stromingen in het regeringsbeleid? Een voor een
Europese én een voor een Nederlandse DARPA. Overigens is DARPA in de VS is dat een agentschap, geen
autoriteit zoals Nederland wil oprichten. Dat is een wezenlijk verschil.
Op alle andere punten bljft onduidelijk wat de regering
met het Nederlandse industriebeleid wil doen om effectief aan te sluiten bij de
gewenste Europese situatie.
17. De strategie stelt weer wel dat er een “eigen EU-veiligheidsstrategie” moet komen (p. 1) Wat zou daarin aan de orde moeten komen, en wat niet? Hoe zou deze veiligheidsstrategie zich verhouden tot die van de NAVO? Hoe zou die zich moeten verhouden tot de soevereiniteit van de lidstaten binnen het huidige verdrag?
18. De opmerkingen in de inleiding van de strategie over een besluitvaardig Europa (afschaffen van het vereiste van unanimiteit bij besluitvorming mbt het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) en de instelling van kopgroepen “waar nodig”) zijn welkom. Wat vindt de minister van toepassing van dezelfde principes in het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB)?
19.
Net als in het regeerakkoord worden op diverse plaatsen in het document
“Nederland en Europa” in een beleidspunt bij elkaar genomen. Dat is vreemd,
omdat het steeds om beleidsaspecten gaat, waar een wezenlijk verschil is tussen
de gewenste Europese aanpak en de rol die Nederland daarbij zou moeten
vervullen. In sommige gevallen zijn er grote verschillen tussen de standpunten
van de lidstaten.
Het is naar onze mening noodzakelijk dat de regering voor al deze punten
duidelijk maakt welk beleid ze van Europa verlangt en hoe Nederland daar
specifiek op inzet.
20. De veiligheidsstrategie mist een duidelijke visie op Europa’s positie in onderhandelingen om de oorlog in Oekraïne te beëindigen. Gezien de omvangrijke steun die Europa aan Oekraïne biedt en de fundamentele veiligheidsbelangen die hiermee gemoeid gaan, is het essentieel dat Europa zelf een actieve rol in dit proces gaat spelen. Het overlaten hiervan aan de Verenigde Staten ondermijnt de zo gewenste strategische autonomie van Europa.
Eurodefense Nederland
18 augustus 2026